Als je wereld instort

Mensen zeggen vaak ‘dat vergeet ik nooit meer’ en daarna gaat het leven verder. Maar een heel enkele keer vergeet je iets inderdaad nooit meer, omdat het leven stopt.

Op 19 mei kregen we ’s nachts een telefoontje dat ons leven helemaal op z’n kop zette. Drie mensen, die we enkele uren daarvoor nog hadden gezien op de computer via Skype, waren er niet meer. Drie mensen, van wie we innig veel hielden, waren zomaar van ons weggenomen. Robs ouders, mijn schoonouders en ons kleine nichtje Ize, in een klap van de aardbodem verdwenen.

Wat gaat er in vredesnaam door je heen als je zoiets hoort? Allereerst ongeloof: hoe kan dat, we hebben ze net nog gezien! Dan woede: het is niet eerlijk! En tenslotte pijn en verdriet. Een verlies zo groot en onbegrijpelijk voelt aan alsof je onophoudelijk met een hamer wordt geslagen, tot je murw bent van verdriet, tot je denkt dat je geen tranen meer overhebt. En daarna begint alles weer helemaal opnieuw.

Zoetjesaan verspreidt het nieuws zich en word je overspoeld met berichten vol steun en medeleven. De telefoon rinkelt onophoudelijk, mensen komen aan de deur. Het regent condoleances en je denkt: waar heeft iedereen het over? Het is niet gebeurd, het is niet waar, het is een nachtmerrie en ik moet gewoon nog wakker worden. Toch?

Een dag gaat voorbij. Vierentwintig uur en de nachtmerrie duurt nog altijd voort. Er worden regelingen gemaakt, diensten gepland, de telefoon rinkelt nog steeds. Langzaam komt het besef dat de laatste keer echt de laatste keer was. Ineens spreek je over drie mensen in termen als ‘herinneringen’ en gebruik je de verleden tijd. Hoe is het mogelijk?

Geen woorden die ik schrijf kunnen recht doen aan Riek, Sjraar en Ize. Er is geen troost, geen rede of verklaring die ik iemand kan bieden. Het enige dat ik kan zeggen is dat we enorm veel van ze hielden, en dat altijd zullen blijven doen. Rust zacht.